Wat is windhinder in de gebouwde omgeving?
Windhinder ontstaat doordat gebouwen de wind omlaag duwen, om hoeken en door smalle ruimtes sturen (tunneleffect). Dit artikel legt uit hoe dat werkt en hoe NEN 8100 het beoordeelt.
Een gebouw staat niet alleen in de wind, het verandert ook hoe de wind zich gedraagt. Op de ene plek ontstaat een tochtig hoekje, op de andere een plek waar je nauwelijks nog kunt doorlopen. Dat noemen we windhinder. Bij hoogbouw is het een vast onderdeel van de ruimtelijke onderbouwing, wat door de verstedelijking in het lands een steeds relevanter onderwerp wordt.
Wat is windhinder?
Windhinder is het ongemak dat mensen ervaren door wind in de gebouwde omgeving. Het gaat om de plekken waar je loopt, zit of speelt, en dus niet om de wind op zichzelf. Een stevige bries op een open veld is geen windhinder. Dezelfde snelheid op een terras of bij een entree wel. Windhinder is daarmee een kwestie van gebruik: Wat voor activiteit vindt op die plek plaats, en hoe vaak is de wind daar te sterk?
Daarvan is windgevaar te onderscheiden. Dat gaat over windsnelheden waarbij het onveilig wordt, bijvoorbeeld doordat je moeite hebt om overeind te blijven. De norm behandelt hinder en gevaar apart.
Hoe ontstaat windhinder?
De windsnelheid neemt toe met de hoogte. Dicht bij de grond remmen bomen, gebouwen en andere obstakels de wind af. Hoger op is er minder wrijving en waait het harder. Een hoog gebouw vangt die snellere wind op.
Het eerste effect is dat de wind tegen de gevel stuit en naar beneden wordt gedwongen, zogeheten valwinden. De luchtstroom komt met kracht op het maaiveld terecht. Een hoger gebouw vangt meer wind op en geeft daardoor een sterkere neerwaartse stroming. Het tweede effect zit bij de hoeken. De wind buigt om het gebouw en versnelt rond scherpe hoeken. Daar ontstaan de plekken die mensen kennen als de hoek waar het altijd waait.
Het derde effect is het tunneleffect. Tussen twee gebouwen, in een smalle straat of onder een doorgang wordt de luchtstroom samengeperst en neemt de snelheid toe. Hetzelfde gebeurt bij passages en openingen waar wind van de ene naar de andere kant van het gebouw kan.
De mate waarin dit gebeurt, hangt af van de hoogte, de vorm en de positie van het gebouw, van de omringende bebouwing en van de overheersende windrichting. Daarom werkt een algemene vuistregel slecht, en is per locatie een beoordeling nodig.
Hoe wordt windhinder beoordeeld?
In Nederland geldt NEN 8100 als maatstaf, deze norm is niet wettelijk verplicht maar is wel de standaard voor het bepalen van windhinder.De norm kijkt bij hinder hoe vaak de uurgemiddelde windsnelheid op een plek 5 m/s overschrijdt, als percentage van de uren per jaar. Daaruit volgt een klasse van A (weinig overschrijding) tot E (veel overschrijding). Bij gevaar telt hoe vaak windsnelheden van 15 m/s en hoger voorkomen.
Welke klasse acceptabel is, hangt af van de activiteit. Voor droolopen, bijvoorbeeld langs een gevel naar een entree, is meer wind acceptabel dan voor slenteren. Voor langdurig zitten, gelden de strengste eisen. Een goede beoordeling kijkt dus niet alleen naar de wind, maar ook naar wat er op de plek gebeurt.
Wat kun je eraan doen?
Hoe eerder je windhinder meeneemt, hoe meer opties je hebt. In de schetsfase kun je de positie en oriëntatie van het gebouw aanpassen, de bouwmassa of de hoogte wijzigen, hoeken afronden of terug laten liggen, en een luifel of een plint toevoegen die de neerwaartse stroming opvangt. Ook de inrichting van het openbare gebied helpt, bijvoorbeeld door groen, schermen of een andere plaatsing van terrassen en speelplekken. Naarmate het ontwerp vastligt, worden deze maatregelen duurder of minder haalbaar. Met een quickscan windhinder weet je in de schetsfase al waar maatregelen nodig zijn, voordat het ontwerp vastligt.
Twijfel of je plan een quickscan nodig heeft?
Wil je weten of jouw ontwerp de windtoets doorstaat? Laat ons de plannen weten en je hoort van ons of een quickscan volstaat of dat een volledig NEN 8100-onderzoek nodig is.
Meer uit het veld.
Bekijk de andere artikelen of bel ons als dit stuk vragen oproept.